De allereerste

1971

Alles op het studentencomplex barstte en blonk van de nieuwheid. Het deed bijna pijn aan Otto’s ogen. ‘We zijn er, jongen,’ zei zijn vader, terwijl hij de geleende rode Volkswagenbus parkeerde. ‘Je nieuwe thuis.’ Otto knikte. De gespannen verwachting die hij de hele rit had gevoeld, veranderde plotseling in angst. Het was hier zo kaal, zo verlaten in de blikkerende zon. Zo anders dan het dorp waar hij vandaan kwam, dat hij zich even niet kon voorstellen dat hij zich hier ooit thuis zou voelen.

Zijn moeder streek hem even over zijn wang toen hij uitstapte. Heel even wenste hij dat hij weer een kleine jongen was, dat hij weer in zijn vertrouwde bed lag in de slaapkamer die hij met zijn broer deelde. Zijn moeder kwam altijd even op zijn bed zitten om hem precies zo over de wang te aaien als ze zojuist gedaan had.

Onzin, kinderachtig gedoe. Hoe kon hij hieraan denken, juist op het moment dat hij zijn nieuwe leven in zou stappen? Hij ging in de stad wonen, in een studentenflat nota bene. Voor zijn studie medicijnen hoefde hij nu niet meer elke dag op en neer te reizen. Niets in zijn leven zou ooit nog zijn zoals hij het hiervoor kende. En dat was goed. Want hij kende niet veel meer dan dat ene gebouw van de universiteit, het dorp en de weilanden daar omheen. Nog maar een klein aantal jaar geleden was dit hier ook weiland geweest. Hij herinnerde zich dat ze er eens langs waren gereden, nadat ze een dagje uit waren geweest in de stad. Een boerderijtje stond er toen nog. ‘Hier gaan ze studentenflats bouwen,’ had zijn vader gezegd. ‘Daar kun jij dan mooi gaan wonen, Otto.’

Hij had voorzichtig gezegd dat hij niet wist of hij dat wel wilde, dat Delft hem ook wel aantrok. Werktuigbouwkunde leek hem een mooi vak. Maar vader wilde er niets van weten. ‘Onzin, jongen. Jij gaat gewoon medicijnen studeren, net als Gerard. Wie moeten anders later de praktijk overnemen?’ Wat Otto betreft kon Gerard dat ook best in zijn eentje, maar hij wist dat protesteren zinloos was. Vader financierde zijn studie, dus vaders wil was wet. Medicijnen moest het worden, dus medicijnen werd het. Vader had hem ingeschreven voor dit studentencomplex en een paar maanden geleden had hij een brief gekregen waarin stond dat hij deze kamer toegewezen had gekregen, compleet met gordijnen, zeil op de vloer, een wastafel en een kast voor zijn kleren. De kamer van tevoren bezichtigen was volgens vader niet nodig. ‘Die is in perfecte staat,’ had hij gezegd. ‘Je kunt er zo in. Waarom zouden we benzine verspillen?’ Daar viel weinig tegenin te brengen. Toch had hij het fijn gevonden als hij van tevoren had geweten waar hij vanaf vandaag zou wonen.

Nou ja, niets aan te doen. Otto pakte de glimmende bos sleutels, die vader hem bij het weggaan had overhandigd, uit zijn tas. Met enige moeite maakte hij de voordeur open. Gedrieën namen ze de lift naar de tweede verdieping. Ze kwamen uit op een galerij. Links een rij ramen en deuren, rechts uitzicht over de rest van het complex, dat nog in aanbouw was. Bouwvakkers floten een deuntje op een betonnen geraamte dat net zo’n flat moest worden als deze. ‘Nummer zestien, kamer 2.1,’ zei zijn vader nog eens ten overvloede. Alsof Otto die nummers zou vergeten. Zijn hand trilde licht toen hij de sleutel in het slot stak.

Nieuw rook het huis, dat was het eerste wat hem opviel. Alsof de bouwvakkers nog maar een uur geleden vertrokken waren. Muren van grove baksteen. Aan zijn rechterhand meteen een grote keuken, linoleum op de vloer, gasstel, koelkast, een eettafel met wat stoelen er keurig omheen gegroepeerd. Hier was duidelijk nog nooit gekookt. ‘Volgens mij ben je de allereerste,’ merkte zijn moeder op.

Ze liepen door een smalle gang, een houten trap op. Op de kamerdeuren waren al naambordjes bevestigd. Kamer 2.1, Otto van Gent.

Het eerste dat hem opviel was het zonlicht dat door de grote ramen de ruime kamer binnen stroomde. De oranje gordijnen waren helemaal open geschoven. Het zeil op de vloer was donkergroen en nog puntgaaf, zonder één putje. Van de kledingkast stond een deur uitnodigend open. Ernaast ontwaarde Otto een wastafel met een blinkende kraan. ‘Prachtig, jongen,’ mompelde zijn moeder, bijna met ontzag. Zijn vader grinnikte. ‘Onze Otto komt op stand te wonen. Ik wist wel dat dit een goede keus was.’

Ze haalden zijn spullen uit de auto. Samen met vader zette Otto zijn nieuwe bed en zijn oude bureau en boekenkast in elkaar, terwijl moeder zijn kleren in keurige stapeltjes in de kast legde. Ze legde een oud vloerkleed neer, dat Otto op zolder had gevonden. ‘Zo, dat maakt het meteen wat gezelliger.’ Ook zijn bed werd opgemaakt zodra het stond. Ze legde er wat gehaakte kussens op. ‘Dan kun je het overdag ook als bank gebruiken.’ Het vloerkleed en de kussentjes stonden hier wat misplaatst, vond Otto. Ze benadrukten alleen maar dat dit níet zijn thuis was. Wat hem betreft mocht de kamer zo strak en kaal mogelijk blijven, zoveel mogelijk lijkend op de staat waarin hij hem vanmorgen had aangetroffen, fris en nieuw als ongerepte sneeuw. Maar hij zei er niets van. Zijn moeder bedoelde het goed.

 

Aan het eind van de middag was de kamer klaar. Otto veegde het zweet van zijn voorhoofd en keek rond. Hier zou hij in het vervolg een groot deel van zijn dagen slijten. Het zou normaal worden om te slapen in het nieuwe bed, dat tegen de rechter muur stond. Op zijn bureau, daar tegenover, lagen zijn studieboeken al opgestapeld, vulpen ernaast. Zijn boeken stonden in een net rijtje in een gloednieuwe stellingkast. Zijn nieuwe leven kon beginnen.

‘Nou jongen, dan moesten we maar eens gaan,’ zei zijn moeder. Ze wierp zijn vader een veelbetekenende blik toe: laten we ons maar niet meer opdringen, onze taak zit erop, hij wil vast alleen zijn. Otto vroeg zich af of hij echt de allereerste bewoner van het huis was.

Hij begeleidde zijn ouders naar de deur. Ze namen afscheid. Hij zag tranen blinken in zijn moeders ogen. ‘Het zal wel stil zijn thuis,’ zei ze. Hij haalde zijn schouders op, probeerde er luchtig over te doen. ‘Ach, het is hier ook best stil.’

 

Toen zijn ouders weg waren, sloop hij voorzichtig door het huis. In de keuken trok hij de koelkast open. Zijn moeder had er wat etenswaren voor hem in gelegd: een pak melk, een half brood, een pan soep voor straks, een stuk kaas. Hij keek in ieder kastje. Ze waren stuk voor stuk leeg. Hij ging aan de eettafel zitten, trommelde rusteloos op het tafelblad. Toen hij was opgestaan schoof hij zijn stoel expres niet terug.

Hij liep naar beneden. Daar zag het er precies zo uit als op de bovenverdieping. Vier deuren, twee aan twee tegenover elkaar. Hij luisterde. Achter elke deur heerste doodse stilte. Hij stelde zich de kamers voor: allemaal leeg, precies hetzelfde als die van hem vanmorgen, met de gordijnen open en de vloer één glimmend groen vlak. Hoe zouden de bewoners van deze kamers eruit zien? En van de kamers naast hem? En wanneer zouden ze komen? Zij hadden toch ook die brief gehad waarin stond dat ze vanaf vandaag hun kamer konden betrekken?

Hij liep weer naar zijn eigen verdieping. Hij zette zijn shampoo in de douche en liet even het water lopen over de tegels die nog nooit nat waren geworden. Hij ging de wc in, plaste, trok door. Niet als allereerste dit keer: zijn moeder was hem al voor geweest. ‘Zorg dat je het schoon houdt, hoor,’ had ze gezegd. ‘Maak afspraken met je huisgenoten. Anders ben jij altijd degene die het doet, dat weet ik nu al. Ik ken mijn pappenheimers.’

Hij pakte een brandschoon glas uit de kast en liet het vollopen met water. Hij ging aan zijn bureau zitten en dronk langzaam, terwijl hij naar buiten staarde. Nu was hij dus echt student; hij had zijn eigen kamer in de stad, net als zijn studiegenoten, die hij nauwelijks kende. Vanaf nu was hij een van hen.

Hij sloeg een boek open en bladerde naar het hoofdstuk dat hij deze week moest lezen. Aan zijn onderstrepingen kon hij precies zien waar hij was gebleven. Hij pakte zijn potlood en probeerde zich te concentreren, maar zijn blik bleef afdwalen naar zijn nieuwe uitzicht. Een fietser met een opvallend geel jasje reed voorbij. Een slootje scheidde het complex van een weg waar auto’s voorbij reden. Mensen met een doel, vol bezigheden en gejaagde gedachten. En hij zat hier met dat boek dat hem eigenlijk niets interesseerde. Waarom zou hij vandaag eigenlijk studeren? Hij was nota bene net verhuisd! Demonstratief sloeg hij het boek dicht.

In de keuken warmde hij de soep van zijn moeder op en belegde twee boterhammen met kaas. Hij haalde zijn radiootje uit zijn kamer en at terwijl hij naar muziek luisterde. Thuis was dat uit den boze. Otto stelde zich zijn ouders voor, zoals ze nu waarschijnlijk tegenover elkaar zouden zitten, met een bord eten voor hun neus. Zijn moeder zou niet meer eten dan een paar kleine hapjes.

Na het eten waste hij niet af. Hij nam de radio weer mee naar boven en zette hem hard aan. Hij haalde de gehaakte kussens van zijn bed en legde ze samen met het vloerkleed onderin zijn klerenkast. Dit soort dingen hoorden niet meer bij hem. Hij wilde geen relikwieën van zijn ouders in zijn nieuwe leven.

Nadat hij even vanuit de deuropening naar het strak ogende geheel had staan kijken, liep hij weer een rondje door het huis. Misschien was er inmiddels iemand gekomen, maar had hij het gewoon niet gehoord omdat hij de radio aan had staan. Het bleef echter doodstil. Hoe kon het eigenlijk ook anders; het liep al tegen achten. Vandaag zou er niemand meer komen.

Otto sloeg zijn sjaal om en liep de galerij op. Alle bouwvakkers waren al lang naar huis. De nog in aanbouw zijnde flats waarin over een jaar ook studenten zouden wonen, lagen er stil en afwachtend bij. Hij liep langs de andere huizen en keek door de ramen naar binnen in de verschillende keukens. In een ervan zag hij twee borden op het aanrecht staan. Hier was dus ook al iemand ingetrokken. Hij aarzelde even, maar durfde toch niet aan te bellen.

Hoewel hij wist dat aan de bovenste verdiepingen nog gewerkt werd, nam hij de lift naar de hoogste. Zijn hart klopte toen hij voorzichtig de galerij op sloop. Hij mocht hier natuurlijk helemaal niet zijn. Maar hij was er. Breken met de gewoonte, daar ging het allemaal om. De keukens waren hier nog nietzeggende bakstenen ruimtes. En het uitzicht was prachtig. Hij zag de lichtjes van de stad, zelfs die van de verste buitenwijken. Misschien zou hij hier overdag wel zijn geboortedorp kunnen zien liggen. Daar zou zijn moeder nu de schemerlamp tussen de twee grote fauteuils aanknippen. En hij was hier. Alleen, tot nu toe, maar ook dat zou veranderen. Alles zou veranderen. Goed beschouwd begon zijn leven nu pas echt. Hoewel dat idee hem beangstigde, vervulde het hem tegelijkertijd met hoop.

Terug op zijn eigen galerij aarzelde hij weer voor de deur waar achter hij leven had bespeurd. Hij kon simpelweg een einde aan zijn eenzame toestand maken. Maar misschien wilde hij dat niet. Nog niet.

Weer in zijn kamer deed hij een schemerlamp aan en ging op bed zitten met zijn boek. Hij las tot hij merkte dat zijn ogen begonnen dicht te vallen. Hij wist dat het nog vroeg was, maar toch poetste hij zijn tanden en kroop in bed. Hij sliep sneller in dan hij had verwacht.

 

De volgende morgen werd hij wakker van stappen op de trap en het geluid van een sleutel in de deur naast die van hem.

Leave a Reply

CommentLuv badge