Chicklit schrijfwedstrijd

Ik ben enorm trots dat ik met mijn manuscript Dubbelspel op de shortlist van de Chicklit schrijfwedstrijd van uitgeverij Luitingh-Sijthoff sta! En wat helemaal leuk is, is dat ik mijzelf en mijn manuscript bij de uitgeverij heb mogen pitchen. Mijn pitch kun je zien in onderstaand filmpje.

Ben je benieuwd naar een fragment uit mijn manuscript? En vind je dat ik het verdien om de wedstrijd te winnen? Klik dan hier, scroll helemaal naar beneden en daar vind je mij. Om op mij te stemmen, kun je op ‘like’ klikken bij mijn naam.

Het ultieme ontmoedigingsbeleid

Hoe krijg je mensen zover dat ze op de fiets naar het werk gaan in plaats van met de auto? Gezien het Nederlandse weer en de afgelegen locatie van veel bedrijventerreinen is fietsen niet altijd de meest aantrekkelijke optie. Wat doe je dan? Met de auto gaan zo onaantrekkelijk mogelijk maken, natuurlijk. De Utrechtse binnenstad doet het al jaren met veel succes. En ook de beheerder van het verzamelpand waarin mijn huidige werk is gevestigd, lijkt nu een manier te hebben gevonden om het te ontmoedigen dat men de auto pakt. Hoe?

1. Beveilig de parkeergarage met een niet te negeren slagboom. Koppel deze slagboom aan een intercom die slechts sporadisch werkt. Geef een select gezelschap een pasje waarmee ze de slagboom kunnen openen. Laat de rest aanbellen. Zorg ervoor dat er pas wordt opengedaan nadat er door één persoon meerdere keren bij verschillende bedrijven is aangebeld en zich achter de persoon in kwestie minimaal twee auto’s hebben aangesloten, waarvan één de alarmlichten heeft aanstaan omdat hij midden op de weg staat.

2. Maak de parkeerplekken zo smal mogelijk. Zorg daarnaast voor een veelheid aan palen en hoeken die het zicht belemmeren. Zorg er ook voor dat het niet mogelijk is om een rondje te rijden in de parkeergarage. Laat mensen terechtwijzen als ze hun auto iets te royaal geparkeerd hebben en geef hen de opdracht om terug naar beneden te gaan en de auto bescheidener op te stellen.

3. Zorg voor een veelheid aan borrels en andere festiviteiten die doorgaan tot na werktijd, zodat de mensen die wel om vijf uur naar huis willen, zich trillend van de zenuwen en met het schadeformulier al in de aanslag héél voorzichtig tussen alle dicht op elkaar geparkeerde auto’s uit moeten manoeuvreren. Mensen die dit te optimistisch aanpakken zullen worden afgestraft door eerder genoemde palen en hoeken.

4. Zorg dat het pand qua uitzicht een mooi panorama biedt over een kruispunt van snelwegen waar vaker wel file staat dan niet. Zodat medewerkers ofwel zelf in de file staan, ofwel dreigende aanwezigheid ervan voelen zodra ze uit het raam kijken.

Deze aanpak heeft ervoor gezorgd dat ik al enkele maanden een fervent fietser ben. Soms neem ik zelf mijn regenpak mee in plaats van preventief met de auto te gaan! Ik kan het iedere gebouwbeheerder aanraden. Een beter milieu begint bij een onneembare vesting als kantoorpand.

Sport en de stuiterbal

Vandaag een jaar geleden hing ik, barstend van de goede voornemens, ondersteboven in een positie die de downward facing dog wordt genoemd. Een aantrekkelijke docent, goed in yoga maar helaas wat minder goed in Engels, spoorde me aan om vooral mijn ocean bweath te blijven vasthouden. Ik deed echter vooral erg mijn best om geen wind te laten in het gezicht van de medestudent achter me. En probeerde te denken: mmm, wat is dit lekker, yoga op zondagmiddag. Echt ontspannend. Hierna kan ik er weer helemaal tegenaan.

Want yoga is heilzaam, dat weet iedereen inmiddels. Je wordt er strak en lenig van. Je uiterlijk blijft langer jeugdig. En, misschien wel het belangrijkste: je komt ervan tot rust. Vooral dat laatste sprak mij, eersteklas stuiterbal en onverbeterlijke neuroot, bijzonder aan. Als ik maar volhield, zou ik niet alleen heel lenig worden (zo iemand die even twee benen in haar nek legt om indruk te maken op een ingedut feestje) maar ook nog eens heel kalm (zo iemand die ayurvedische kruidenthee inschenkt voor een snikkende vriendin en precies weet wat ze dan moet zeggen).

Yoga was echter niet zo heilzaam voor mijn bankrekening. Zeker niet omdat ik eh… soort van bijna nooit echt ging, zeg maar. Eerst nam ik het me nog wel voor. Morgenavond na mijn werk ga ik naar yoga. Dit weekend ga ik naar yoga. Als ik binnenkort een extra vrije dag heb, ga ik naar yoga. Maar op een gegeven moment gaf ik het zelfs op om het me überhaupt nog voor te nemen. De yogastudio bleef ondertussen maandelijks een astronomisch bedrag afschrijven, dat spreekt vanzelf.

Terwijl ik me van mezelf nergens anders mocht inschrijven omdat dat vermaledijde abonnement bij de yogastudio nog liep, begon ik tot mijn eigen verbazing steeds meer te verlangen naar een echte sportschool. Naar inspannen in plaats van ontspannen. Naar pompende beats in plaats van ocean bweath. Naar een instructrice die “nog even volhouden! Geef alles!” door haar headset brult in plaats van een sereen chantende yogi. De ervaring was compleet nieuw voor me, maar ik merkte dat ik gewoon wilde sporten. Gewoon lekker zweten en daarna moe maar voldaan thuiskomen. Dat idee.

Na een jaar was het abonnement dan eindelijk verlopen en toog ik naar de sportschool, waar een gespierde jongen in een rode polo me een rondleiding gaf. “Hier ga je vanavond knallen,” zei hij toen hij me de groepslessenzaal liet zien. Dat deed ik. Bezweet en onhandig hupste ik een uur lang rond op de maat van top 40-hits. En ik genoot. Dit was iets waar ik mijn energie in kwijt kon. Mijn stuiterbal-persoonlijkheid kwam hierbij juist heel goed van pas!

Inmiddels ga ik meerdere keren per week “knallen”. Ik geniet nog steeds. En ik kom altijd ontspannen thuis. Echt ontspannen, niet geforceerd nu-moet-ik-heel-ontspannen-zijn ontspannen. Ik ontspan doordat ik iets doe dat ik echt leuk vind. Iets waar ik me op verheug in plaats van dat ik me er naartoe moet slepen. En, misschien wel het belangrijkste: iets waarbij ik geen neerslachtige hond hoef na te doen.

Het draaideurdebacle

Sinds een kleine twee weken neem ik de receptie waar bij een kantoor in Nieuwegein. Eerste werkdagen zijn niet bepaald de favoriete dagen van mijn leven, maar hier voelde het na de eerste lunch al niet meer als mijn eerste werkdag. De mensen waren leuk, de werkzaamheden allemaal vrij bekend. Mooi, dacht ik. Eindelijk eens een baantje waarbij ik me niet wekenlang een totale noob voel die nog geen kopietje zelfstandig kan maken.

Had ik het even mis. Hoe bekend en simpel de werkzaamheden ook zijn, sommige beginnersfouten achtervolgen je overal. Op mijn eerste werkdag na het inwerken stapte ik monter het kantoor binnen en liet prompt het alarm afgaan. Overijverig als ik ben, wilde ik het alarm uitzetten, niet wetend dat iemand me al voor was geweest. Ik zette het alarm dus juist aan, en dat begon prompt te loeien toen het de openstaande voordeur detecteerde. Oeps.

Oké, dacht ik, dat hebben we gehad. Zoiets doe je één keer en daarna nooit meer. Nu is het klaar met de beginnersfouten. Wat zou er verder in godsnaam nog mis kunnen gaan? Ha. Hier had ik dus duidelijk buiten de Kwaadaardige Draaideur gerekend.

De normale draaideur: je stapt in de draaideur, je duwt tegen de draaideur, je komt aan de andere kant weer netjes uit de draaideur, en als je binnen nog iets vergeten bent maak je gewoon nog een rondje. De Kwaadaardige Draaideur, daarentegen: je drukt op een knop om de draaideur te ontgrendelen, je stapt in de draaideur, je duwt tegen de draaideur, je komt aan de andere kant weer netjes uit de draaideur, en als je binnen nog iets vergeten bent heb je pech, want de draaideur vergrendelt zichzelf weer.

De oplettende lezer voelt ‘m waarschijnlijk al aankomen. Op een kwade dag haalde ik de post uit de brievenbus en vergat daarna dat de Kwaadaardige Draaideur zichzelf na zoveel seconden vergrendelt. Ik stapte dus vrolijk de draaideur weer in. De Kwaadaardige Draaideur deed zijn naam eer aan en liet me even in de waan dat ik gewoon naar binnen aan het lopen was. Precies op het moment dat ik in het midden van de draaideur stond, vergrendelde het kreng zichzelf.

Daar stond ik dan. Opgesloten in een draaideur. Nooit gedacht dat ik dát nog eens voor elkaar zou krijgen. Eerst kon ik dan ook niet geloven dat dit gebeurd was. Ik ging met mijn volle gewicht tegen de deur hangen en duwde. Maar de deur gaf geen millimeter mee. Ik meende hem zelfs zachtjes te horen giechelen.

Lichte paniek begon zich inmiddels van me meester te maken. Hoe lang zou ik hier moeten blijven staan? Wanneer zou het iemand gaan opvallen dat de telefoon niet meer werd beantwoord? Moest ik misschien herrie maken, roepen? Maar wat roep je in zo’n geval in godsnaam? “Help, ik zit vast in de draaideur!”? Ik vermoedde dat dit grappen zou opleveren die ik tot aan mijn laatste dag zou moeten aanhoren.

Ik hield het dus bij laffe klopjes op het glas van de draaideur. Geen resultaat. Er zat niets anders op: ik moest lijdzaam in de draaideur blijven wachten tot er iemand kwam om me te redden.

Na vijf á tien minuten verscheen mijn reddende engel in de vorm van een meneer die een afspraak had bij een ander bedrijf in het pand. Godzijdank, geen collega die me uit mijn benarde positie moest bevrijden. Ik loog dat ik er nog maar nét stond en toen de receptie een paar verdiepingen hoger hem binnenliet, liep ik dankbaar mee.

Ik had geen telefoontjes gemist, noch was het iemand opgevallen dat ik wel heel lang was weggebleven van mijn tochtje naar de brievenbus. Vond ik helemaal niet erg. Sommige dingen hoeven je collega’s tenslotte niet te weten. Ik denk dat ik het ze op mijn laatste dag nog even grinnikend vertel.

1 5 6 7