Boek Switch: hoofdstuk 1 en 2

1
Maandagochtend, kwart voor twaalf. Op de redactie van damesblad Joy rook het naar verse koffie en gratis toegestuurd parfum. Acht hip gekapte hoofden bogen zich over het bijna ingevulde schema van het decembernummer. Onwillekeurig haalde Bo een hand door haar sluike blonde haar. Ze ging nog wat meer rechtop zitten, herschikte haar papieren en leunde verder naar voren.
‘Ik kan er nog wel wat bij hebben,’ zei ze. Geen reactie. Ze slikte en praatte door. ‘Ik bedoel, ik heb voor dit nummer alleen nog maar…’
‘We hoeven alleen het culi-gedeelte nog maar in te vullen,’ onderbrak Sandra, de hoofdredacteur. ‘Dat is heel belangrijk voor het decembernummer, dus dat wil ik laten doen door mensen die daar al ervaring mee hebben.’
‘Oh, maar ik weet heel veel van eten,’ zei Bo. ‘Ik ben gek op eten. Misschien wil ik me wel specialiseren in eten. Ik denk er zelfs over om een eigen foodblog te beginnen.’
Sandra keek haar scherp aan. ‘Dat zou ik vooral doen, maar voorlopig hou jij je hier nog even bezig met HI.’ Vriendelijker voegde ze eraan toe: ‘Dat is nu eenmaal je sterkste punt.’
Bo probeerde niet al te verslagen te kijken en vooral niet onderuit te zakken. Hou je houding actief, spoorde ze zichzelf aan. Inwendig stelde ze een adviescolumn voor zichzelf op. Wat te doen na een nederlaag op je werk? Actieve houding, blijven glimlachen. Niet laten zien dat het je geraakt heeft. Huilen doe je maar op de wc. Focus op het positieve van de situatie.
In feite had Sandra haar zojuist een compliment gemaakt. HI, human interest, was blijkbaar haar kracht. Dat was haar nooit eerder zo rechtstreeks verteld. Bo wist alleen maar dat zij altijd de zeikverhalen toegeschoven kreeg. Zij mocht nooit de BN’ers interviewen, maar altijd de vrouwen die jarenlang door hun man bedrogen waren zonder het te merken, of die met een of ander extreem dieet hun lichaamsgewicht hadden weten te halveren. Nooit het Grote Dramatische Verhaal van het nummer, maar altijd een kleiner artikel, dat hooguit een pagina in beslag nam. Kijk, dit kan je ook nog overkomen. Vaak moest ze er ook nog een goedkope stockfoto bij zoeken die het geheel in haar ogen nog net een tikje knulliger maakte.
Gelukkig mocht ze daarnaast vaak een artikel schrijven met tips en trucs voor allerlei penibele situaties waarin de lezeressen van Joy verzeild zouden kunnen raken. Bo vond het heerlijk om anderen advies te geven. Ze besefte dat het echt een goed idee was: advies bij een pijnlijke nederlaag op het werk. Ze haalde haar zwarte opschrijfboekje onder haar papieren vandaan en krabbelde snel ‘nederlaag werk’ op een lege pagina. Haar collega Brenda keek opzij. Bo sloeg het boekje vlug weer dicht en legde het opzij, zo ver mogelijk bij Brenda vandaan.
‘Goed, dan zijn we zo’n beetje rond voor december,’ zei Sandra, en Bo wist dat ze alle hoop op een groot artikel nu definitief kon laten varen. Alweer.
Toen ze terugliep naar haar bureau, kwam Brenda naast haar lopen en slaakte een gelukzalige zucht. ‘Wat een goeie vergadering was dat, hè? Ik heb echt zin om aan de slag te gaan. Ik heb ook echt alweer helemaal zin in december.’
Bo moest nog niet aan december dénken. De zomer was pas net begonnen! Ze vond het één van de grote nadelen van het werken in de tijdschriftenbranche: dat je altijd vooruit moest werken en dus altijd bezig was met een seizoen waar je hoofd op dat moment totaal niet naar stond. Maar ze zou wel gek zijn om dat toe te geven. Straks zouden haar collega’s nog denken dat ze niet gedreven genoeg was. Ze glimlachte dus stralend naar Brenda, en zei: ‘Zeg dat wel. Zo gezellig! Ik kan niet wachten.’
Brenda begon een lang verhaal over de reportage die zij zou gaan maken voor het decembernummer, maar Bo kon het niet opbrengen om echt te luisteren. Zíj had die reportage willen maken. Ze schreef minstens zo goed als Brenda. En bovendien was zij jonger en stond ze dichter bij de doelgroep. Ze draaide al bijna een jaar mee op de redactie. Waarom wilde Sandra haar de kans niet geven?
‘Dat is dus wel een spannende invalshoek, vind je niet?’ vroeg Brenda, en net op tijd besefte Bo dat er een antwoord van haar verlangd werd.
‘Oh, eh, ja,’ zei ze. ‘Veel succes ermee.’
Snel dook ze achter haar bureau, zodat Brenda haar niet verder kon bestoken met haar ideeën. Ze haalde haar opschrijfboekje tevoorschijn, bladerde naar een lege pagina, en schreef: wat ik kan doen om meer kansen te krijgen.
Ze staarde naar de woorden terwijl ze haar van huis meegebrachte quinoasalade opat. Ze had geen idee wat ze zichzelf voor advies zou kunnen geven. Uiteindelijk noteerde ze maar één punt: een fantastisch idee krijgen en pitchen.

2
Die avond zat Bo met haar vriendinnen en oud-huisgenoten Maud, Sophie en Nathalie op haar Haarlemse balkon in de warme avondzon. ‘Bo, wat heb je weer fantastisch gekookt,’ zei Maud, terwijl ze onderuit zakte op één van Bo’s vintage klapstoeltjes en een slok nam van haar Chardonnay. ‘Echt, ik vreet mijn vingers er zowat bij op.’
Bo probeerde niet al te duidelijk te glimmen van trots. De zondagmiddag die ze in de keuken had doorgebracht om alles voor te bereiden, had duidelijk z’n vruchten afgeworpen. Al vond ze het stiekem altijd zonde dat het eten waar zij uren aan besteedde, door haar vriendinnen in een kwartiertje soldaat werd gemaakt. Maar haar pittige zeewiersalade en gestoomde bonendumplings waren in de smaak gevallen, en daar ging het om. Plus: het eten had een mooi plaatje voor Instagram opgeleverd, dat nu al twintig likes had.
Zelf had ze nauwelijks iets kunnen eten: ze was altijd gespannen als ze anderen iets nieuws voorzette, en hield met argusogen in de gaten of ze het echt lekker vonden of alleen maar déden alsof ze het lekker vonden. Maar nu hadden ze echt zitten smullen, dat was duidelijk. Met haar vinger peuterde ze een restje zeewier uit de schaal en stopte het in haar mond toen de andere drie even niet keken.
‘Ik wou dat ik kon koken,’ verzuchtte Nathalie. ‘Ik voel me wel een beetje bezwaard, Bo, omdat jij ons altijd van die heerlijkheden voorzet en ik niet verder kom dan spaghetti met tomatensaus.’
‘Koken kun je leren, hoor,’ zei Bo. Ze merkte dat ze in haar adviesmodus schoot. ‘Je hebt ontzettend veel kookboeken waarin alle technieken worden uitgelegd, je hebt filmpjes op internet, je hebt…’
Ze stopte met praten toen ze zag dat Nathalie haar interesse al had verloren. ‘Ik heb Casper,’ zei ze schouderophalend. ‘Die vindt koken nog leuk ook.’
Nathalie voelde zich helemaal niet echt bezwaard, dacht Bo, en ze wil helemaal niet echt kunnen koken. Ze zegt het alleen maar uit beleefdheid, of om iets te zeggen te hebben.
Ze zweeg ongemakkelijk. Ze had weer eens het gevoel dat haar vriendinnen haar goedbedoelde advies alleen maar irritant vonden, en helemaal niet behulpzaam. De stilte die viel voelde gespannen aan. Alleen Maud leek er geen last van te hebben; die haalde rustig haar vinger over haar bord om ‘m vervolgens uitgebreid af te likken.
‘Hoe is het bij Joy?’ vroeg Sophie. ‘Heb je er al een groot artikel uit weten te slepen?’
Bo’s frustraties over de geringe omvang van haar bijdragen aan Joy waren een terugkerend thema tijdens hun vriendinnenavondjes, die een traditie waren sinds ze het studentenhuis hadden verlaten waar ze gezamenlijk hadden gewoond. Iedere keer dat haar vriendinnen ernaar vroegen ging Bo zich een beetje meer schamen omdat ze steeds hetzelfde antwoord moest geven. Sophie was ondertussen al een treetje opgeklommen bij het grote recruitmentbureau waar ze werkte. Nathalie en Casper konden net leven van de inkomsten van hun eigen designwebshop. En Maud was muzikant, een flierefluiter die in de thuiszorg werkte en zich totaal niet druk maakte om haar carrière. Bo had altijd het idee dat Maud hen een beetje meewarig bekeek als het gesprek over hun carrières ging.
‘We hadden vandaag weer redactievergadering, en ik heb weer niks echt interessants,’ barstte Bo los. ‘Ik heb zelfs nog duidelijk aangegeven dat ik nog niet zoveel op m’n bord had, en dat ik er nog wel wat bij kon hebben. Maar toen hoefde alleen het culi-gedeelte nog te worden ingevuld en dat mocht ik niet doen omdat ik te weinig ervaring heb.’ Dat laatste zei ze met een zeurderig stemmetje, rollend met haar ogen.
Maud vroeg: ‘Culi-gedeelte?’
‘De kookrubriek,’ zei Bo. Ze hoorde dat er iets licht neerbuigends in haar toon geslopen was omdat Maud zoiets voor de hand liggends blijkbaar niet snapte. Maud leek het niet op te pikken; ze zei ‘oh’ en haalde nog eens haar vinger over haar bord.
‘Wat heb je toen gezegd?’ vroeg Nathalie.
‘Dat ik gek ben op eten, en dat ik me er misschien wel in wil specialiseren.’ Pas nu ze het nog een keer zei, besefte ze hoe gek het eigenlijk klonk. ‘O shit. Ik geloof dat ik letterlijk heb gezegd dat ik me wilde specialiseren in eten. Dat klinkt alsof ik mezelf elke dag professioneel wil volvreten.’
Haar vriendinnen lachten, wat Bo allerminst geruststelde. ‘Dat is eigenlijk heel gek, toch? Zeggen dat je je wilt specialiseren in eten?’
‘Weet ik niet,’ zei Nathalie schouderophalend. ‘Is het niet een soort journalistentaalgebruik?’
‘Had je het idee dat iemand het zelfs maar opmerkte?’ vroeg Sophie.
Bo dacht met tegenzin terug aan het pijnlijke moment van vanmorgen. Ze kon zich de gezichten van haar collega’s niet meer voor de geest halen. Ze herinnerde zich alleen de lichte frons op het gezicht van Sandra. Maar die frons kon van alles betekenen. Ze voelde een lichte paniek opkomen.
‘Ik heb geen idee,’ zei ze. ‘Misschien heb ik mezelf nog wel erger voor schut gezet dan ik al dacht.’
Maud wreef geruststellend over Bo’s arm. ‘Bowie, lieverd, maak je niet zo druk. Ik weet zeker dat ze het óf niet gemerkt hebben, óf het allang weer zijn vergeten. Mensen letten alleen maar op zichzelf.’
Mauds aanraking deed haar meer goed dan Bo wilde toegeven. ‘Denk je?’ vroeg ze aarzelend.
‘Dat dénk ik niet alleen, dat wéét ik. Hoe vaak er bij mij op het podium niet iets is misgegaan wat door het publiek totaal niet werd gezien!’
‘Heb je verder nog iets gezegd?’ vroeg Nathalie.
‘Dat ik een foodblog wilde beginnen.’
‘Oooh, dat moet je doen! Dat is een goed idee! Echt wat voor jou!’ riepen Bo’s vriendinnen door elkaar. Bo voelde zich ongemakkelijk bij al dat plotselinge enthousiasme. ‘Ik weet het niet, hoor. Ik zei het eigenlijk in een opwelling. Sandra zei dat mijn kracht bij human interest ligt. En trouwens, ik heb helemaal geen tijd voor een blog.’
‘Je kunt er tijd voor máken,’ zei Sophie. ‘En wat ga je nu verder doen? Ik bedoel, je zit er inmiddels zowat een jaar, toch? Als zij je geen kansen willen geven wordt het misschien tijd om verder te kijken.’
Sophie leefde nog in de veronderstelling dat er voor iedereen een goeie ‘match’ op de banenmarkt te vinden was, als je maar hard genoeg je best deed. Bo deed haar mond open om Sophie voor de zoveelste keer uit te leggen dat ook buiten Joy de kansen in de bladenwereld niet bepaald voor het oprapen lagen, maar Maud was haar voor.
‘Een jaar, dat is toch superkort? Bo, ik zou gewoon genieten van het werk dat je doet. Je hebt toch altijd bij een tijdschrift willen werken? Die grotere artikelen komen vanzelf.’
‘Daar lijkt het anders niet op,’ mompelde Bo.
‘Zo werkt het ook niet,’ deed Nathalie een duit in het zakje. ‘Dingen komen niet vanzelf jouw kant op, Maud. Je moet er vaak keihard voor werken. Zeker in deze tijd.’
Nu pikte Maud de neerbuigende toon wel op. Even staarde ze Nathalie aan, een beetje geschrokken, leek het wel. Toen herstelde ze zich en zei: ‘Oh, nou ja, misschien is dat inderdaad wel zo. Ik weet er eigenlijk te weinig vanaf.’
‘Ik heb gewoon een vet goed idee nodig,’ zei Bo. ‘Ik moet iets supergoeds pitchen. Iets waar Sandra geen nee tegen kan zeggen.’
‘En, heb je al een idee?’ vroeg Nathalie.
‘Eh, nee.’
‘Misschien moet je gewoon open kaart spelen,’ zei Sophie. ‘Gewoon gaan zitten met die
Sandra, en zeggen: luister, ik werk hier nu een jaar, en ik kan veel meer dan ik tot nu toe heb kunnen laten zien.’
Bo stelde zich voor dat ze dat zou doen, en ze stelde zich het gezicht van Sandra voor. Ze had niet het idee dat dat gezicht zou meegeven en zou zeggen: ‘Natuurlijk, Bo, dan mag jij voor het volgende nummer Carice van Houten interviewen.’
Ze speelde met een verloren geraakt boontje op haar bord. ‘Ik weet het niet,’ zei ze. ‘Ik heb niet het gevoel dat Sandra daar gevoelig voor zal zijn.’
‘Dan moet je het harder spelen,’ zei Sophie. ‘Onderhandelen. Laten doorschemeren dat het voor andere partijen ook interessant zou zijn om jou in dienst te nemen, en dat jij bij een ander misschien wel de kansen zou krijgen die je verdient.’
‘Welke andere partijen, Sophie? Lees jij de krant weleens? De hele tijdschriftenbranche ligt op z’n gat.’
Maud onderbrak hun gesprek met een demonstratieve gaap. ‘Sááái. Zullen we het over iets anders hebben dan werk?’
‘Bo heeft even wat carrièreadvies nodig, Maud,’ zei Nathalie. ‘Het spijt me als jij dat saai vindt, maar soms moet het even.’
‘Bo heeft niks te klagen,’ zei Maud. ‘Ze heeft de baan die ze altijd al wilde. Ze is getalenteerd: ze kan fantastisch schrijven én fantastisch koken. Ze heeft een droomappartementje. Ik zou zo met haar willen ruilen.’
Er viel een stilte die pijnlijk had kunnen zijn, als Bo Maud niet opeens stralend had aangestaard. Het was alsof haar vriendin op het lichtknopje in haar hoofd had gedrukt. Nu wist ze met welk idee ze Sandra zou gaan overtuigen.
‘Ruilen,’ zei ze. ‘Dat is het!’

Blind date

Zij
Daar staat hij, bij de ingang van het café, met zijn handen in zijn zakken. Ik voel mijn ledematen zwaar worden, een loden tegenzin verspreidt zich door mijn lichaam. Het liefst zou ik meteen weer omkeren, nu hij me nog niet gezien heeft. Maar ik weet dat ik dat niet kan maken. Al was het alleen maar omdat hij een vriend van Pippa is. Als Pippa een avond met hem kan doorkomen, moet mij dat toch ook lukken.
Ik loop naar hem toe en doe mijn best op een vriendelijke, ontspannen glimlach. Hij bevrijdt zijn rechterhand uit zijn broekzak en steekt hem mij toe. Even moet ik een rilling onderdrukken. Gelukkig is zijn hand niet klam, zoals ik had verwacht, maar droog en koel. Hij stelt zich voor als Axel.
‘Dat wist ik al,’ flap ik eruit. Het klinkt scherper dan ik wilde.
‘Oh,’ antwoordt hij. ‘Nou, ik ben jouw naam anders even kwijt.’
Jemig. De houding van een holbewoner en het geheugen van een goudvis. Dat wordt wat, vanavond.
‘Julia,’ stel ik me kortaf voor.
‘O ja, natuurlijk. Julia. Vind je het oké als ik je Juul noem?’
Ik staar hem aan. Dit heeft nog nooit iemand durven vragen, laat staan al bij de eerste ontmoeting.
‘Waarom?’ vraag ik. ‘Heb je soms moeite met woorden van meer dan twee lettergrepen?’
Hij gooit zijn hoofd achterover en barst in lachen uit. Ik frunnik aan mijn tas en broed op een elegante manier om deze date vroegtijdig af te breken. Maar voor ik daar de kans voor krijg, zegt hij: ‘Kom, we gaan naar binnen.’
In het café stevent hij regelrecht op de bar af en ploft neer op een barkruk. Ik blijf staan.
‘Zouden we niet liever een tafeltje opzoeken?’
Hij schudt zijn hoofd. ‘Ik heb een bloedhekel aan tegenover elkaar zitten. En aan tafeltjes met peper- en zoutstelletjes erop. Mijn plek is aan de bar.’
Hij trekt de barkruk naast hem een stukje naar achteren en geeft er een uitnodigend klopje op. Ik heb geen keus; ik moet wel gaan zitten.
Hij trekt de aandacht van de barman. ‘Twee witbier graag.’
‘Zijn die alle twee voor jezelf?’ vraag ik scherp. ‘Want ik houd niet van bier.’ Echt, deze gast is niet te geloven.
‘Je houdt niet van bier?’ Ongelovig staart hij me aan. ‘Zelfs niet van witbier?’
Ik schud mijn hoofd.
‘Oké… zelfs niet van rosébier? Ook al is dat eigenlijk geen bier.’
‘Rosébier lust ik wel, ja.’
Meteen steekt Axel weer zijn hand op naar de barman. ‘Maak van één van die witbiertjes maar een vrouwenbiertje.’
‘Een vróuwenbiertje?’ Ik hoop echt dat ik dat verkeerd verstaan heb. Maar Axels grijns maakt me duidelijk dat ik hem goed heb gehoord.
‘Jep. Zo noemen we dat hier. Kees en ik kennen elkaar al langer dan vandaag, hè Kees?’
Kees steekt grinnikend zijn hand op bij wijze van antwoord. Even later zet hij twee schuimende biertjes op de plakkerige bar.
‘Niet meteen weghollen hoor, dame,’ zegt hij tegen mij. ‘Axel is liever dan hij lijkt.’
Hmm. Dat zei Pippa ook al. Misschien moet ik hem toch nog even de kans geven.

Hij
Mooie vrouw. Zelfverzekerd loopje. Weet wat ze wil, dat zie ik meteen. Mij wil ze niet, dat zie ik ook meteen. Ze glimlacht beleefd, maar haar ogen doen niet mee. Dit wordt leuk. Eens kijken hoe lang ze die keurig nette houding vol weet te houden.
Ik steek mijn hand uit en ze kijkt ernaar alsof ik een dode rat voor haar neus houd, maar schudt hem toch. ‘Axel,’ stel ik mezelf voor.
´Dat wist ik al,´ antwoordt ze snibbig.
Als wraak zeg ik dat ik haar naam vergeten ben. Die kwaaie blik in haar ogen: onbetaalbaar. Ik vind haar nu al leuk. Afgemeten stelt ze zich voor als Julia.
‘O ja, natuurlijk. Julia. Vind je het okee als ik je Juul noem?’ Mijn gok is dat ze dat absoluut niet okee vindt. Dat blijkt ook wel uit de manier waarop ze me aankijkt, met samengeknepen ogen en haar mond een stukje open.
‘Waarom?’ vraagt ze. ‘Heb je soms moeite met woorden van meer dan twee lettergrepen?’
Ik kan het niet helpen; ik barst in lachen uit. Het is duidelijk; dit is een vrouw die mij aankan. Ik kan niet wachten om met haar aan de bar te hangen. Ik duw de deur van het cafe open en laat haar galant voorgaan, zo ben ik dan ook wel weer. Bovendien krijg ik op deze manier mooi de kans om even haar billen te bekijken, die heen en weer bewegen in de strakke grijze rok die ze draagt. Midden in het cafe blijft ze staan, speurend naar het beste tafeltje. Nee dame, dat gaat niet gebeuren. Ik zet koers naar de bar en plof neer op mijn vaste plek. Ik doe alsof ik niet merk dat zij blijft staan. Kees staat achter de bar vandaag. Hij knipoogt naar me en steekt onopvallend zijn duim op.
‘Zouden we niet liever een tafeltje opzoeken?’ vraagt Julia uiteindelijk, als de stilte tussen ons definitief ongemakkelijk is geworden.
Kijk, daar heb je het al. Vrouwen ook altijd met hun tafeltjes. Ze willen tegenover je zitten en je diep in de ogen kijken. Ik voel me een gekooid dier aan zo’n tafeltje. Ik leg Juul dus haarfijn uit dat er niet aan een tafeltje gezeten gaat worden vandaag. ‘ Mijn plaats is aan de bar.’
Ik klop uitnodigend op een barkruk. Ze kijkt me vuil aan en klautert onhandig op de kruk. Haar strakke rok draait zich om haar benen. Ze geeft er een geïrriteerd rukje aan.
Ik wenk Kees en bestel zonder overleg twee witbiertjes. Ik kan het niet helpen; het is veel te leuk om haar te pesten.
‘Zijn die alle twee voor jezelf? Want ik houd niet van bier.’
Wat een kattenkop. Heerlijk. Wel een minpuntje dat ze niet van bier houdt.
‘Je houdt niet van bier?’ Ik doe alsof ik dat nauwelijks kan geloven. ‘ Zelfs niet van witbier?’
Ze schudt nukkig haar hoofd.
‘Okee… zelfs niet van rosebier? Ook al is dat eigenlijk geen bier,’ voeg ik eraan toe om haar nog wat meer te irriteren.
‘Rosebier lust ik wel, ja,’ antwoordt ze.
Ik trek Kees’ aandacht. ‘Maak van een van die witbiertjes maar een vrouwenbiertje.’
Inwendig alvast lachend wacht ik op haar reactie.
‘Een vrouwenbiertje?!’  herhaalt ze ongelovig.
‘Jep. Zo noemen we dat hier. Kees en ik kennen elkaar al langer dan vandaag, toch Kees?’
Ik zie dat Kees zich stiekem ook kapot lacht. Het is niet de eerste keer dat hij getuige is van mijn afspraakje. En hij weet inmiddels ook dat de dames altijd een tweede, derde en vaak ook een vierde keer komen, hoe chagrijnig ze er de eerste keer ook bij zitten. Hij zet de biertjes op de bar en glimlacht naar mijn date.

Kerst op kamer 126

‘Buikpijn, hmm? Ja ja.’ De arts op de Eerste Hulp-post keek Selma vermoeid aan.
‘Heel erge buikpijn,’ verbeterde ze hem. ‘Of denkt u dat ik voor mijn lol door de sneeuw om drie uur ’s nachts naar de eerste hulp ben gekomen?’
‘Mij zou het niet verbazen,’ antwoordde de arts. ‘Net zoals het mij niet verbaast dat ze mij nu voor de derde keer in de kerstnacht laten werken, omdat ik toch geen gezin heb. Blijkbaar is dat een argument. Maar dat is een heel ander verhaal.’
‘Eh… ja.’
‘Maar buikpijn dus, hmm? Even een gewetensvraag. Weet je zeker dat je niet gewoon teveel worstenbroodjes hebt gegeten? Dat je je niet gewoon hebt volgepropt met tiramisu? Een hele pan glühwein hebt leeggeslobberd? Een zak…’
‘Oké, oké, ik begrijp waar u naartoe wilt,’ onderbrak Selma hem. ‘En het antwoord is nee. Ik heb al sinds één uur vanmiddag niets meer gegeten. Mijn galgenmaal was een broodje met ham.’
‘Een broodje met ham, hmm? Weet je zeker dat die ham niet gewoon van discutabele kwaliteit is geweest?’
Met een kreun boog Selma voorover en begon in haar uitpuilende schoudertas te graven. ‘Blijkbaar moet ik met hard bewijs komen. Toevallig heb ik een etentje moeten laten schieten omdat ik met koorts en buikpijn thuis op de bank lag, dus ik had alle tijd om Google erop na te slaan. Ik heb een checklist gemaakt met de symptomen van een blindedarmontsteking en ik heb er zeven van de acht kunnen aanvinken.’
Ze viste het beduimelde papiertje uit haar tas en kwam voorzichtig weer overeind. Een venijnige steek in haar onderbuik deed haar naar adem happen.
De arts las haar lijstje met gefronste wenkbrauwen en zuchtte diep. ‘Goed, het lijkt erop dat ik je zal moeten onderzoeken. Vind je het erg als ik Sky Radio erbij aanzet?’ Lees verder…

Verjaardag

Het is schemerig en warm op het terras. De zon is net onder gegaan. De lange zomeravond begint over te gaan in een zwoele zomernacht.

Paul is even naar de wc en Agnes geniet van de stilte. Ze neemt een trekje van haar sigaret. Bedachtzaam blaast ze de rook uit. Twintig, denkt ze bij zichzelf. Ik ga mijn eerste nacht als twintigjarige in. Ze leunt achterover en sluit even haar ogen. Ze hoopt dat Paul op zijn weg naar de wc weer eens één van zijn vele kennissen tegenkomt, zodat hij wat langer wegblijft. Ze wil alleen zijn. Al is het maar voor een paar minuutjes. De hele avond hebben ze zitten praten. Ze merkt dat ze haar eerste nacht als twintigjarige eigenlijk het liefst alleen door wil brengen, in haar eigen bed. Geen geknuffel, geen gevrij, geen lieve gefluisterde woordjes. Gewoon rust. Rust van Paul en de rest van de wereld.

Plotseling begint haar hart sneller te kloppen. Daar loopt hij. Langs het terras loopt de jongen waar ze vier jaar geleden zo verschrikkelijk verliefd op was. Hij ziet er nog akelig hetzelfde uit. Dezelfde lichtblonde krullen, dezelfde volle lippen, misschien zelfs nog steeds hetzelfde shirt. Ja. Ze zou zweren dat hij dit shirt ook aanhad toen ze hem had uitgenodigd voor haar verjaardagsfeestje, vandaag precies vier jaar geleden. Het verjaardagsfeestje dat ze toen gaf, samen met twee vriendinnen. Waar ze zich zo ontzettend op verheugd had, en waar ze zich zo ontzettend voor had opgetut. Het verjaardagsfeestje dat uiteindelijk de laatste keer zou zijn dat ze hem zag.

 

Het was schemerig en warm in de kamer. Ze zaten naast elkaar. Ze praatten over huiswerk.

Agnes keek naar zijn wang. Daar hadden haar lippen hem geraakt, twee uur geleden, toen hij binnenkwam.Twee keer op zijn linkerwang en één keer op zijn rechter. Hij had haar beleefd een hand willen geven, afstandelijk als altijd.

‘Gefeliciteerd’ zei hij. Weet je wel wanneer ik echt jarig ben? dacht ze. Ze pakte zijn hand en trok hem naar zich toe. Ze zag zijn verbaasde gezicht snel naar haar toekomen. Ze sloot haar ogen. Tuitte haar lippen. Ze had al zoveel jongens gekust vanavond en nu stond ze er pas bij stil wat ze eigenlijk elke keer deed.

Zijn wangen waren koel. Hij rook naar buiten. Naar fietsen. Naar wind. Zij zou wel naar feest en parfum ruiken. Ze wist dat haar wangen warm waren. Ze voelde zijn lippen er langs strijken. Ze wilde hem niet loslaten.

Ze liet hem los. Beleefd deed ze een stapje naar achteren.

‘Ik heb voor jou ook nog wat,’ zei hij, en hij groef in zijn binnenzak. Ook, dacht ze. Zag hij haar kussen als een soort cadeautje?

Hij gaf haar een envelop. Er stond geen naam op. Hij had er vast nog twee, één voor Nienke en één voor Myrthe. Als een van hen hem had binnengelaten had zij deze envelop gekregen, en deze zoen. Het gaf haar een leeg gevoel. Betekende ze zo weinig voor hem?

Haar vingers trilden licht toen ze de envelop openmaakte. Ze hoopte dat hij het niet zag. Er zat een briefje van vijf euro in. Het was ooit helemaal verkreukeld geweest, maar hij moest het gladgestreken hebben voor hij het in de envelop gedaan had.

Ze voelde zich opgelaten nu hij haar geld gegeven had. Ze had op een cadeautje gehoopt, al was maar een boekenbon. Op de een of andere manier voelde ze zich goedkoop. Ze wilde geen geld. Niet van hem.

Ze wapperde onhandig met het briefje. ‘Ik zal er iets leuks mee doen’ beloofde ze lachend.

Het gaat op de grote hoop, dacht ze, met het al andere geld dat ik vanavond krijg. Je betaalt mee aan de cd die ik ga kopen. Dat is alles. Ik zal waarschijnlijk niet eens aan jou denken als ik die cd draai.

Dat was twee uur geleden geweest. Twee woelige uren, waarin ze nog meer mensen had gezoend en nog meer cadeautjes en geld gekregen had. Hij en Fabian hadden zitten gooien met snoepjes die Myrthe die middag zorgzaam in een schaal op tafel had gezet, tot Nienke had gezegd dat ze op moesten houden. Hij had voor de televisie gehangen en voetbal gekeken. Hij had haar schutterig gevraagd hoeveel mensen ze hadden uitgenodigd, maar nauwelijks geluisterd naar haar antwoord. Ze had het gevoel dat hij op school veel leuker was.

En nu zaten ze dus naast elkaar, en voerden ze een houterig gesprek over huiswerk. ‘Heb jij Latijn al af?’ vroeg ze hem.

‘Nee’ zei hij.

‘Ik half,’ zei ze.

‘Mail het effe,’ grijnsde hij.

‘Mooi niet,’ zei ze. Ze kreeg een idee. ‘Ik heb stukje 1 al af,’ zei ze. ‘Als ik die nou naar jou mail, en jij mailt 2 naar mij?’

‘Nee,’ zei hij.

Zo simpel was het dus. Gewoon nee. Niets meer, niets minder. Hij zag ineens iets heel interessants aan de andere kant van de kamer. Zonder iets te zeggen liep ze weg. Ze moest iets drinken. Iets sterks. Ze schonk Martini in een plastic bekertje. Terwijl ze ervan nipte liep ze terug naar de jongens. Fabian was op haar plaats gaan zitten. Ze kon er duidelijk niet meer bij. ‘Oh,’ zei ze.

‘Ja,’ zei hij. Hij lachte. Het was geen aardige lach zoals anders. Jammer, meisje, zeiden zijn ogen.

Ze draaide zich om en liep weg, de houten trap af, naar het soutterrain, waar de muziek zo hard mogelijk stond. Toen ze na een tijdje weer boven kwam, was hij er niet meer. Ze vroeg aan iemand waar hij was. Hij was weggegaan, hoorde ze. Ze knikte.

Ze was blij toen iedereen naar huis was. Eigenlijk wilde ze zelf ook het liefst naar huis. Ze wilde alleen zijn. Ze wilde hier niet bij Nienke blijven logeren. Ze wilde in haar eigen bed liggen en bedenken waar het was misgegaan.

Haar eerste échte zoen zou hij haar in elk geval nooit geven.

 

Na de zomervakantie was hij opeens van school. Verhuisd, blijkbaar. Het feestje voor haar zestiende verjaardag was de laatste keer dat ze hem zag. Tot nu toe, dan.

Hij ziet haar ook. Hij staat stil. Hij komt naar haar toe. ‘Hé, hallo,’ zegt hij.

‘Hoi,’ zegt ze. ‘Lang geleden.’

‘Zeg dat wel.’

‘Hoe gaat het?’

‘Goed hoor, met jou?’

‘Ook goed. Vier mijn verjaardag.’

‘Oh, gefeliciteerd.’

Een hand op haar schouder. Paul. ‘Zullen we gaan, schat?’

Ze knikt. ‘Ja. We gaan.’ Ze kijkt naar hem. ‘Nou, dag,’ zegt hij. ‘Dag,’ zegt ze, terwijl ze haar sigaret uitdrukt. Als ze opkijkt, is hij verdwenen.

Paul slaat zijn arm om haar heen. ‘Wie was dat?’ vraagt hij. Ze haalt haar schouders op. ‘Oh, niemand. Van vroeger.’

Paul wil haar duidelijk naar zijn huis koersen, maar Agnes maakt zich los uit zijn greep. Zegt dat ze het een leuke avond vond, maar dat ze nu alleen wil zijn. Belooft hem morgen te bellen. Laat hem beteuterd achter en loopt alleen de avond in.

Misschien wordt vannacht niet haar eerste nacht als twintigjarige, maar nog één laatste nacht als negentienjarige. Nog één keer zwijmelen over degene die ze nooit kon krijgen. En dan morgen volwassen wakker worden.

De allereerste

1971

Alles op het studentencomplex barstte en blonk van de nieuwheid. Het deed bijna pijn aan Otto’s ogen. ‘We zijn er, jongen,’ zei zijn vader, terwijl hij de geleende rode Volkswagenbus parkeerde. ‘Je nieuwe thuis.’ Otto knikte. De gespannen verwachting die hij de hele rit had gevoeld, veranderde plotseling in angst. Het was hier zo kaal, zo verlaten in de blikkerende zon. Zo anders dan het dorp waar hij vandaan kwam, dat hij zich even niet kon voorstellen dat hij zich hier ooit thuis zou voelen.

Zijn moeder streek hem even over zijn wang toen hij uitstapte. Heel even wenste hij dat hij weer een kleine jongen was, dat hij weer in zijn vertrouwde bed lag in de slaapkamer die hij met zijn broer deelde. Zijn moeder kwam altijd even op zijn bed zitten om hem precies zo over de wang te aaien als ze zojuist gedaan had.

Onzin, kinderachtig gedoe. Hoe kon hij hieraan denken, juist op het moment dat hij zijn nieuwe leven in zou stappen? Hij ging in de stad wonen, in een studentenflat nota bene. Voor zijn studie medicijnen hoefde hij nu niet meer elke dag op en neer te reizen. Niets in zijn leven zou ooit nog zijn zoals hij het hiervoor kende. En dat was goed. Want hij kende niet veel meer dan dat ene gebouw van de universiteit, het dorp en de weilanden daar omheen. Nog maar een klein aantal jaar geleden was dit hier ook weiland geweest. Hij herinnerde zich dat ze er eens langs waren gereden, nadat ze een dagje uit waren geweest in de stad. Een boerderijtje stond er toen nog. ‘Hier gaan ze studentenflats bouwen,’ had zijn vader gezegd. ‘Daar kun jij dan mooi gaan wonen, Otto.’

Hij had voorzichtig gezegd dat hij niet wist of hij dat wel wilde, dat Delft hem ook wel aantrok. Werktuigbouwkunde leek hem een mooi vak. Maar vader wilde er niets van weten. ‘Onzin, jongen. Jij gaat gewoon medicijnen studeren, net als Gerard. Wie moeten anders later de praktijk overnemen?’ Wat Otto betreft kon Gerard dat ook best in zijn eentje, maar hij wist dat protesteren zinloos was. Vader financierde zijn studie, dus vaders wil was wet. Medicijnen moest het worden, dus medicijnen werd het. Vader had hem ingeschreven voor dit studentencomplex en een paar maanden geleden had hij een brief gekregen waarin stond dat hij deze kamer toegewezen had gekregen, compleet met gordijnen, zeil op de vloer, een wastafel en een kast voor zijn kleren. De kamer van tevoren bezichtigen was volgens vader niet nodig. ‘Die is in perfecte staat,’ had hij gezegd. ‘Je kunt er zo in. Waarom zouden we benzine verspillen?’ Daar viel weinig tegenin te brengen. Toch had hij het fijn gevonden als hij van tevoren had geweten waar hij vanaf vandaag zou wonen.

Nou ja, niets aan te doen. Otto pakte de glimmende bos sleutels, die vader hem bij het weggaan had overhandigd, uit zijn tas. Met enige moeite maakte hij de voordeur open. Gedrieën namen ze de lift naar de tweede verdieping. Ze kwamen uit op een galerij. Links een rij ramen en deuren, rechts uitzicht over de rest van het complex, dat nog in aanbouw was. Bouwvakkers floten een deuntje op een betonnen geraamte dat net zo’n flat moest worden als deze. ‘Nummer zestien, kamer 2.1,’ zei zijn vader nog eens ten overvloede. Alsof Otto die nummers zou vergeten. Zijn hand trilde licht toen hij de sleutel in het slot stak.

Nieuw rook het huis, dat was het eerste wat hem opviel. Alsof de bouwvakkers nog maar een uur geleden vertrokken waren. Muren van grove baksteen. Aan zijn rechterhand meteen een grote keuken, linoleum op de vloer, gasstel, koelkast, een eettafel met wat stoelen er keurig omheen gegroepeerd. Hier was duidelijk nog nooit gekookt. ‘Volgens mij ben je de allereerste,’ merkte zijn moeder op.

Ze liepen door een smalle gang, een houten trap op. Op de kamerdeuren waren al naambordjes bevestigd. Kamer 2.1, Otto van Gent.

Het eerste dat hem opviel was het zonlicht dat door de grote ramen de ruime kamer binnen stroomde. De oranje gordijnen waren helemaal open geschoven. Het zeil op de vloer was donkergroen en nog puntgaaf, zonder één putje. Van de kledingkast stond een deur uitnodigend open. Ernaast ontwaarde Otto een wastafel met een blinkende kraan. ‘Prachtig, jongen,’ mompelde zijn moeder, bijna met ontzag. Zijn vader grinnikte. ‘Onze Otto komt op stand te wonen. Ik wist wel dat dit een goede keus was.’

Ze haalden zijn spullen uit de auto. Samen met vader zette Otto zijn nieuwe bed en zijn oude bureau en boekenkast in elkaar, terwijl moeder zijn kleren in keurige stapeltjes in de kast legde. Ze legde een oud vloerkleed neer, dat Otto op zolder had gevonden. ‘Zo, dat maakt het meteen wat gezelliger.’ Ook zijn bed werd opgemaakt zodra het stond. Ze legde er wat gehaakte kussens op. ‘Dan kun je het overdag ook als bank gebruiken.’ Het vloerkleed en de kussentjes stonden hier wat misplaatst, vond Otto. Ze benadrukten alleen maar dat dit níet zijn thuis was. Wat hem betreft mocht de kamer zo strak en kaal mogelijk blijven, zoveel mogelijk lijkend op de staat waarin hij hem vanmorgen had aangetroffen, fris en nieuw als ongerepte sneeuw. Maar hij zei er niets van. Zijn moeder bedoelde het goed.

 

Aan het eind van de middag was de kamer klaar. Otto veegde het zweet van zijn voorhoofd en keek rond. Hier zou hij in het vervolg een groot deel van zijn dagen slijten. Het zou normaal worden om te slapen in het nieuwe bed, dat tegen de rechter muur stond. Op zijn bureau, daar tegenover, lagen zijn studieboeken al opgestapeld, vulpen ernaast. Zijn boeken stonden in een net rijtje in een gloednieuwe stellingkast. Zijn nieuwe leven kon beginnen.

‘Nou jongen, dan moesten we maar eens gaan,’ zei zijn moeder. Ze wierp zijn vader een veelbetekenende blik toe: laten we ons maar niet meer opdringen, onze taak zit erop, hij wil vast alleen zijn. Otto vroeg zich af of hij echt de allereerste bewoner van het huis was.

Hij begeleidde zijn ouders naar de deur. Ze namen afscheid. Hij zag tranen blinken in zijn moeders ogen. ‘Het zal wel stil zijn thuis,’ zei ze. Hij haalde zijn schouders op, probeerde er luchtig over te doen. ‘Ach, het is hier ook best stil.’

 

Toen zijn ouders weg waren, sloop hij voorzichtig door het huis. In de keuken trok hij de koelkast open. Zijn moeder had er wat etenswaren voor hem in gelegd: een pak melk, een half brood, een pan soep voor straks, een stuk kaas. Hij keek in ieder kastje. Ze waren stuk voor stuk leeg. Hij ging aan de eettafel zitten, trommelde rusteloos op het tafelblad. Toen hij was opgestaan schoof hij zijn stoel expres niet terug.

Hij liep naar beneden. Daar zag het er precies zo uit als op de bovenverdieping. Vier deuren, twee aan twee tegenover elkaar. Hij luisterde. Achter elke deur heerste doodse stilte. Hij stelde zich de kamers voor: allemaal leeg, precies hetzelfde als die van hem vanmorgen, met de gordijnen open en de vloer één glimmend groen vlak. Hoe zouden de bewoners van deze kamers eruit zien? En van de kamers naast hem? En wanneer zouden ze komen? Zij hadden toch ook die brief gehad waarin stond dat ze vanaf vandaag hun kamer konden betrekken?

Hij liep weer naar zijn eigen verdieping. Hij zette zijn shampoo in de douche en liet even het water lopen over de tegels die nog nooit nat waren geworden. Hij ging de wc in, plaste, trok door. Niet als allereerste dit keer: zijn moeder was hem al voor geweest. ‘Zorg dat je het schoon houdt, hoor,’ had ze gezegd. ‘Maak afspraken met je huisgenoten. Anders ben jij altijd degene die het doet, dat weet ik nu al. Ik ken mijn pappenheimers.’

Hij pakte een brandschoon glas uit de kast en liet het vollopen met water. Hij ging aan zijn bureau zitten en dronk langzaam, terwijl hij naar buiten staarde. Nu was hij dus echt student; hij had zijn eigen kamer in de stad, net als zijn studiegenoten, die hij nauwelijks kende. Vanaf nu was hij een van hen.

Hij sloeg een boek open en bladerde naar het hoofdstuk dat hij deze week moest lezen. Aan zijn onderstrepingen kon hij precies zien waar hij was gebleven. Hij pakte zijn potlood en probeerde zich te concentreren, maar zijn blik bleef afdwalen naar zijn nieuwe uitzicht. Een fietser met een opvallend geel jasje reed voorbij. Een slootje scheidde het complex van een weg waar auto’s voorbij reden. Mensen met een doel, vol bezigheden en gejaagde gedachten. En hij zat hier met dat boek dat hem eigenlijk niets interesseerde. Waarom zou hij vandaag eigenlijk studeren? Hij was nota bene net verhuisd! Demonstratief sloeg hij het boek dicht.

In de keuken warmde hij de soep van zijn moeder op en belegde twee boterhammen met kaas. Hij haalde zijn radiootje uit zijn kamer en at terwijl hij naar muziek luisterde. Thuis was dat uit den boze. Otto stelde zich zijn ouders voor, zoals ze nu waarschijnlijk tegenover elkaar zouden zitten, met een bord eten voor hun neus. Zijn moeder zou niet meer eten dan een paar kleine hapjes.

Na het eten waste hij niet af. Hij nam de radio weer mee naar boven en zette hem hard aan. Hij haalde de gehaakte kussens van zijn bed en legde ze samen met het vloerkleed onderin zijn klerenkast. Dit soort dingen hoorden niet meer bij hem. Hij wilde geen relikwieën van zijn ouders in zijn nieuwe leven.

Nadat hij even vanuit de deuropening naar het strak ogende geheel had staan kijken, liep hij weer een rondje door het huis. Misschien was er inmiddels iemand gekomen, maar had hij het gewoon niet gehoord omdat hij de radio aan had staan. Het bleef echter doodstil. Hoe kon het eigenlijk ook anders; het liep al tegen achten. Vandaag zou er niemand meer komen.

Otto sloeg zijn sjaal om en liep de galerij op. Alle bouwvakkers waren al lang naar huis. De nog in aanbouw zijnde flats waarin over een jaar ook studenten zouden wonen, lagen er stil en afwachtend bij. Hij liep langs de andere huizen en keek door de ramen naar binnen in de verschillende keukens. In een ervan zag hij twee borden op het aanrecht staan. Hier was dus ook al iemand ingetrokken. Hij aarzelde even, maar durfde toch niet aan te bellen.

Hoewel hij wist dat aan de bovenste verdiepingen nog gewerkt werd, nam hij de lift naar de hoogste. Zijn hart klopte toen hij voorzichtig de galerij op sloop. Hij mocht hier natuurlijk helemaal niet zijn. Maar hij was er. Breken met de gewoonte, daar ging het allemaal om. De keukens waren hier nog nietzeggende bakstenen ruimtes. En het uitzicht was prachtig. Hij zag de lichtjes van de stad, zelfs die van de verste buitenwijken. Misschien zou hij hier overdag wel zijn geboortedorp kunnen zien liggen. Daar zou zijn moeder nu de schemerlamp tussen de twee grote fauteuils aanknippen. En hij was hier. Alleen, tot nu toe, maar ook dat zou veranderen. Alles zou veranderen. Goed beschouwd begon zijn leven nu pas echt. Hoewel dat idee hem beangstigde, vervulde het hem tegelijkertijd met hoop.

Terug op zijn eigen galerij aarzelde hij weer voor de deur waar achter hij leven had bespeurd. Hij kon simpelweg een einde aan zijn eenzame toestand maken. Maar misschien wilde hij dat niet. Nog niet.

Weer in zijn kamer deed hij een schemerlamp aan en ging op bed zitten met zijn boek. Hij las tot hij merkte dat zijn ogen begonnen dicht te vallen. Hij wist dat het nog vroeg was, maar toch poetste hij zijn tanden en kroop in bed. Hij sliep sneller in dan hij had verwacht.

 

De volgende morgen werd hij wakker van stappen op de trap en het geluid van een sleutel in de deur naast die van hem.

1 2