The Power of Plots: Schaduwprijs en Gouden Strop 2010 gaan beiden naar Bram Dehouck

In een stampvolle streng beveiligde Melkweg vond op 1 juni 2010 de Avond van het Spannende Boek plaats. In de volksmond ook wel The Power Of Plots genoemd; de aftrap van de Maand van het Spannende Boek. Tijdens deze avond werden de Schaduwprijs en de Gouden Strop 2010 uitgereikt. Dit jaar had de wedstrijd een wel heel bijzondere uitkomst. CultuurBewust.nl verslaat…

Lees verder op CultuurBewust.nl

Cruisin’

Ik wring me in een rare bocht om even uit het raam te kunnen kijken. Staat hij er nog? Jazeker, hij staat er nog! Die stoere, witte Mazda 323F die onder mijn raam geparkeerd staat, is van mij. En van Berend. En dat laatste is maar goed ook, want hoewel ik goed op weg ben, heb ik nog steeds geen rijbewijs. En met zo’n auto voor de deur is het toch wel handig als er tenminste iemand in kan rijden.

Dat doet Berend dus. Berend is een beetje mijn chauffeur de laatste weken. Hij heeft me naar Ikea gereden en me opgehaald van mijn werk (waarbij we er helaas achter kwamen dat mijn fiets alleen achter de in de auto past als je het voorwiel losschroeft). En we maken leuke tochtjes: vorige week gingen we naar het Openluchtmuseum in Arnhem en vandaag zijn we naar de Loosdrechtse plassen geweest. Een beetje decadent en niet bepaald milieubewust, maar hé, dit zijn de wittebroodsweken van onze verhouding met onze auto, dus ‘t mag nog.

Toch betrap ik mezelf er vaak op dat ik verlangend naar de bestuurdersstoel zit te kijken. En dat ik, uit frustratie omdat ik zelf nog niet in onze mooie auto mag rijden, Berend ga zitten vertellen hoe ík iets aan zou pakken, als ik zou mogen rijden. Want ik kan natuurlijk heel goed rijden. Ik heb alleen nog even geen rijbewijs. Zei iemand ezel, zei iemand steen? Ik heb even niks gehoord. En om te bewijzen dat ik echt wel even onze auto kan besturen, heb ik Berend vandaag eindelijk weten over te halen om me een eindje te laten proefrijden op een verlaten stukje industrieterrein.

Ik doe natuurlijk alles goed: ik start de auto, zet ‘m in z’n achteruit (want Berend is zo attent geweest om de auto voor me in een vak te parkeren waar ik meteen achteruit uit moet), laat de koppeling opkomen en geef rustig een beetje gas. De auto komt niet in beweging. Ik geef wat meer gas. Vroemmm! Maar de auto blijft staan waar hij staat. Berend ligt inmiddels dubbel op de bijrijdersstoel en gebaart hikkend naar de handrem. Oeps.

Ik rijd een paar keer heen en weer, oefen het keren en parkeren, maak snelheid en rem weer af, maar eigenlijk wil ik maar één ding: de weg op. Er is hier toch geen hond. Ik wil voelen hoe het is. Dus ik besluit een rondje te rijden. Dat gaat prima. Ik besluit nóg een rondje te rijden. En dan sta ik opeens oog in oog met een auto van een beveiligingsbedrijf. Die rijdt natuurlijk rond om te checken of alles hier rustig is. Officieel mogen hier namelijk helemaal geen auto’s komen in het weekend, behalve bestemmingsverkeer, en dat zijn wij natuurlijk niet bepaald.

Kut. Oké, het is niet de politie. Maar het is iemand die de politie zou kunnen bellen. Hij zal zich nu al wel afvragen wat ik hier doe op zaterdag. En het is makkelijk te raden dat ik aan het rijden ben zonder rijbewijs. Ik weet opeens zeker dat het met witte letters op de voorruit gekalkt staat. En ik weet wat de politie hiervan zou vinden: als je wordt gepakt, kun je het afrijden wel even vergeten.

Hij komt uit een uitrit, ik kom uit een uitrit, de weg ligt tussen ons in. We staren naar elkaar. Ik sta al vedacht lang stil. Hij zal wel denken. Ik kan maar één ding doen: ik geef richting aan en rijd de weg op alsof er niks aan de hand is. Maar het wordt een rare, onzekere bocht en nu weet ik helemáál zeker dat hij het weet. Mijn zelfvertrouwen is als sneeuw voor de zon verdwenen. Ik mag helemaal niet rijden, help! In mijn binnenspiegel zie ik hem keren en ons nakijken. Het lijkt even alsof hij achter ons aan komt. Maar hij blijft alleen dreigend in onze richting gedraaid staan, en hij wordt gelukkig steeds iets kleiner. Hij ziet nog wel hoe ik de auto aan het eind van de weg parkeer en hoe Berend en ik van plek wisselen.

Ik ben een beetje stil als we wegrijden. Ik voel me een klein beetje vernederd. Ik heb bewezen dat ik best een auto kan besturen, maar zodra het een beetje lastig wordt, schiet ik nog steeds in standje Verwarde Bejaarde. Gelukkig heb ik nog wat lessen te gaan tot mijn examen. En tot die tijd heb ik gelukkig een fantastische chauffeur.

Vroem!

Sinds een maand heb ik weer rijles.Trouwe lezers herinneren zich misschien nog het relaas van de vorige serie lessen: ik beschouwde mezelf in eerste instantie als een gevaar op de weg, dat bleek gelukkig mee te vallen, ik raakte een beetje overmoedig, ik reed af, ik zakte, ik huilde, mijn instructeur overtuigde me ervan dat ik het kon, ik reed nog een keer af, zakte weer en was toen alleen maar heel erg blij dat ik geen geld had om het nog een derde keer te proberen. In a nutshell.

Bijna twee jaar lang beperkte mijn autorijden zich tot bijdehant meekijken vanuit de bijrijdersstoel, gewichtig de routebeschrijving voorlezen en te pas en te onpas opmerken dat ik zó in deze auto zou kunnen stappen en wegrijden, ik wist alles immers nog, dat merkte ik bij het meekijken. “Ik kan best autorijden, ik heb alleen geen rijbewijs.”

Haha! Hahahahaha! Waarom bleef ik het maken van een afspraak voor een nieuwe serie rijlessen dan steeds voor me uitschuiven? En waarom kreeg ik zo’n raar gevoel in mijn maag toen ik eindelijk een rijschool belde en een montere mevrouw me direct inplande voor een rijles de volgende dag? Ik had twee jaar lang prachtige fantasieën gehad waarin ik soepeltjes met de lesauto de straat uit zou rijden en mijn nieuwe instructeur verbaasd zou vragen waarom ik in vredesnaam mijn rijbewijs nog niet had gehaald. Maar in werkelijkheid was ik zo zenuwachtig dat ik bijna vergat mijn gordel om te doen. Het keren van de auto moest volledig door een schuin over me heen hangende instructeur gedaan worden, want ik had werkelijk geen idee meer hoe dat hele keren ook alweer in zijn werk ging. In mijn fantasie hoefde dat ook nooit!

Toen ik eenmaal aan het rijden was, pakte ik het gelukkig redelijk snel weer op allemaal. Wat ik had gedacht was toch een beetje waar: al die handelingen zaten er nog gewoon in. Koppeling laten opkomen, gas geven, schakelen, weer langzaam afremmen, het voelde allemaal alsof ik het vorige week nog had gedaan. Ook het feit dat ik in een andere auto reed bleek veel minder uit te maken dan ik had gedacht. Maar mijn overmoedigheid was nog niet helemaal verdwenen: na een kwartiertje merkte de instructeur op dat ik wel kon rijden, maar dat ik reed als een jongetje van achttien. Wild en op de meeste stukken minstens tien kilometer te hard. Ik vond het stiekem ontzettend grappig dat hij dat zei. Ik als macho achter het stuur, geweldig!

Inmiddels ben ik vijf lessen verder en zit ik voor mijn gevoel alweer bijna op mijn oude niveau. Niet dat dat wil zeggen dat ik al zou kunnen afrijden. Daar ben ik nog lang niet klaar voor. En ik denk nu dat ik er eigenlijk nooit klaar voor ben geweest. Ook niet toen ik voor de tweede keer afreed. Tussen mijn eerste en mijn tweede examen zaten ook maar drie lessen, waarvan er niet één echt goed ging. En mijn instructeur schreef me tabletjes voor om “rustiger” te worden. Wat had ik verwacht?

Ik ben er dus nog lang niet, maar ik merk wel dat die twee jaar pauze effect hebben gehad. Ik ben nog steeds niet “rustig” maar ik zal nooit meer iets gaan slikken om het zogenaamd te worden. Ik merk beter bij mezelf wanneer ik niet rustig ben, en weet vaak ook precies waar dat aan ligt. En het belangrijkste verschil: twee jaar geleden wilde ik mijn rijbewijs, nu wil ik leren autorijden. Ik ga er waarschijnlijk weer angstaanjagende geldsommen tegenaan smijten, maar één ding weet ik zeker: ik ga niet afrijden voor ik er helemaal achter sta.

Olieramp

We hebben het de afgelopen maanden dankzij BP al gezien: olie kan een flink verwoestend goedje zijn. De afgelopen week heb ik zelf aan den lijve ondervonden hóe verwoestend. In mijn kleine eenpersoonshuishouden heeft zich een heuse olieramp voltrokken. De schade loopt gelukkig niet in de miljoenen en er zijn ook geen dieren overleden, maar ik ben weer een traumatische herinnering rijker. Eén ding weet ik zeker: als ik nog een keer de geur van zonnebloemolie ruik, ga ik gillen.

Het begon ongeveer een maand geleden. Ons logeerkatje Lotje bedacht op een nacht dat het wel leuk zou zijn om een fles zonnebloemolie over de gloednieuwe keukenvloer uit te gieten. Ik zag het pas toen ik ‘s morgens in allerijl een ontbijtje klaarmaakte, tien minuten voor ik de deur uit moest. In de gauwigheid smeet ik een aantal dweilen op het plasje, zodat het in ieder geval vast een beetje zou worden opgenomen. Huisgenoot Jort wierp zich die dag gelukkig op om de hele zooi weer schoon te maken. Het enige wat ik nog even hoefde te doen, was die dweilen in de was gooien. Dat kwam nog wel.

Ik ging op vakantie, kwam terug, ging nog een keer op vakantie, kwam weer terug en had toen bijna al mijn handdoeken verbruikt. Tijd voor een handdoekenwasje, en daar konden die dweilen, die inmiddels duidelijk een milde muffige geur van zonnebloemolie door mijn wasmand verspreidden, mooi bij. Ik gooide de hele verzameling in de wasmachine, wasmiddel erbij, en startte het programma van zestig graden. Twee uur later haalde ik de was eruit. Dat vind ik altijd een fijn moment, als ik al mijn warme, schone spulletjes weer terugzie, geurend naar wasmiddel en mijn favoriete wasverzachter met jojoba-extract. Maar nu… niets van dit alles. Uit de wasmachine walmde diezelfde muffe zonnebloemolielucht die ik al eerder had geroken. En al mijn was rook ernaar. Ironisch genoeg roken de dweilen zelf best schoon. Maar de geur had zich wel in al mijn schone handdoeken genesteld.

Nog onwetend van de gruwelijke vasthoudendheid van de oliegeur, haalde ik de boosdoeners eruit en stopte de rest van de was weer terug in de machine. Met een extra wasje zou het probleem wel verholpen zijn. Maar toen ik de machine later weer opendeed, rook ik nog steeds diezelfde smerige olielucht. Mijn handdoeken waren niet eens een klein beetje schoner dan na de eerste lading. Toen begon ik te vermoeden dat dit weleens heel vervelend zou kunnen worden.

Ik hing de handdoeken te drogen met de vage hoop dat de geur er vanzelf uit zou trekken als ik ze maar lang genoeg liet hangen. Het enige resultaat was dat een paar dagen later in het hele huis de vage geur van zonnebloemolie hing, en mijn handdoeken stonken onverminderd voort. Ik waste ze nog een keer – aan de wasmachine lag het niet, die rook vanbinnen wél lekker naar wasmiddel – en hing ze dit keer buiten te drogen. Ik liet het rekje dagenlang in weer en wind op de galerij staan. Sommige handdoeken gingen er een klein beetje op vooruit, maar je zou je er nog steeds niet bepaald mee willen afdrogen. Twee handdoeken, die ik in de kast had gelegd omdat ik dacht dat het daarmee wel meeviel, hadden de paar handdoeken die ik nog wel in de kast had liggen, besmet. In iedere handdoek die ik bezat, hing inmiddels in meerdere of mindere mate de geur van zonnebloemolie.

Gisteren heb ik, na een week verwoed wassen en weer drogen, de hoop opgegeven dat het ooit nog wat wordt met mijn handdoeken. Leermoment: als zo’n geur er eenmaal in zit, gaat die er dus Nooit Meer Uit. Ik heb een vuilniszak gepakt en alle vettige, naar zonnebloemolie stinkende vodden erin gegooid. Gelukkig zijn handdoeken op het moment in de aanbieding bij de Hema. Ik denk dat ik daar zometeen maar even heen ga, want die theedoek bleek vanmorgen toch niet zo’n succes.

Kwaliteit, veiligheid en hygiëne

Je hoort wel eens van die verhalen van mensen die per ongeluk een oog of een stukje teen in hun blikje knakworsten aantreffen. Die mensen maken dan een foto, mailen die naar de klantenservice, en de volgende dag staat er een busje voor de deur om een grote gratis doos met blikjes knakworsten af te leveren, uiteraard met zeer welgemeende excuses van de fabrikant. Het is even griezelig, zo’n oog, maar dan ben je wel voor een jaar voorzien van knakworst. Ik heb dus altijd gehoopt dat mij ook eens zoiets zou overkomen.

Een paar weken terug was het dan zover. Op een vrije maandagochtend zaten Berend en ik nietsvermoedend een Albert Heijn-appeltaartje te eten, toen Berend bij zijn laatste hap opeens op iets hards stuitte. Het was helaas geen stukje teen, maar het steeltje van een appel, met een stukje klokhuis eraan. ‘Je moet Albert Heijn mailen!’ riep ik direct, terwijl Berend nog aan het controleren was of al zijn tanden er nog in zaten. ‘Dan krijgen we een grote doos met allemaal gratis appeltaartjes!’ Het water liep me al in de mond bij het idee.

We maakten direct een aantal foto’s van het steeltje en Berend mailde nog dezelfde dag naar de klantenservice:

 

Ik heb 12 maart zo’n klein AH Appeltaartje gekocht. Hij smaakte prima, zeker met de nodige slagroom. Alleen was de laatste hap een grote teleurstelling. Ik had namelijk plotseling een steeltje en een stuk klokhuis van een appel in mijn mond. Niet een kleintje, maar een grote, stevige en vooral heel bittere. Ik begrijp dat de appeltaart zo ambachtelijk mogelijk moet over komen, maar dit was iets teveel van het goede. Ik hoop dat ik de enige was en dat er geen problemen zijn bij de productie.

 

In spanning wachtten we Alberts reactie af. Die kwam drie dagen later pas.

 

Wij bieden u onze excuses aan voor het gegeven dat u een steeltje en een gedeelte van een klokhuis heeft aangetroffen in een appeltaart van ons AH eigen merk. Onze producten worden op uiterst hygiënische wijze geproduceerd. Wij hebben strikte afspraken met onze leveranciers over kwaliteit, veiligheid en hygiëne. Dat u desondanks een ongerechtigheid heeft aangetroffen vinden wij zeer vervelend. Wij hebben uw melding doorgegeven aan onze kwaliteitsmanager, zodat deze ook de leverancier op de hoogte kan brengen.

 

Van een grote doos met gratis appeltaartjes werd helaas niet gerept. Wel kon Berend met de verpakking terug naar de winkel om gratis een nieuw appeltaartje te halen. Dat vond hij toch iets te fout (denk: Cor van der Laak, ‘en wel hierom’). Geen gratis appeltaart voor ons dus.

Totdat Berend vorige week weer de pineut was. Wederom zaten we appeltaart van Albert Heijn te eten, en wederom beet Berend opeens op een steeltje. ‘Nu krijgen we ZEKER een doos gratis taartjes!’ riep ik opgetogen. Weer werd direct Albert Heijn op de hoogte gesteld.

 

Beste Klantenservice, even een mededeling, voor de statistieken zeg maar. Vandaag was het weer raak! Dit keer alleen het steeltje.

 

Deze keer kwam de reactie de volgende dag al.

 

Vervelend dat het u nogmaals is overkomen, excuses hiervoor. Albert Heijn hecht grote waarde aan de kwaliteit, veiligheid en hygiëne van alle artikelen. Ook deze ervaring met het appeltaartje hebben wij aan de kwaliteitsmanager doorgegeven. Als het nodig blijkt te zijn, worden er direct maatregelen genomen.

 

Dit keer hadden ze het er niet eens over dat we een nieuw appeltaartje mochten ophalen, laat staan dat we die grote doos kregen. Duidelijk: crisis. Ik betwijfel trouwens ook of ze het ook echt aan hun kwaliteitsmanager hebben doorgegeven, van dat steeltje. Ik wens degene die ooit een oog in een appeltaartje van Albert aantreft alvast veel succes.

1 35 36 37 38 39